Een beheerde locatie toevoegen
Een beheerde locatie kan worden georganiseerd:
-
In een lokale map:
- Op een lokale harde schijf van het opslagknooppunt
- In een SAN-opslag die in het besturingssysteem zichtbaar is als een lokaal aangesloten apparaat
-
In een netwerkmap:
- Op een SMB/CIFS-share
- In een SAN-opslag die in het besturingssysteem zichtbaar is als een netwerkmap
- In een NAS
-
Op een tapeapparaat dat lokaal aan het opslagknooppunt is gekoppeld.
Tapelocaties worden gemaakt als tapegroepen. Er is standaard één tapegroep aanwezig. Indien nodig kunt u ook andere tapegroepen maken, zoals later in dit gedeelte wordt beschreven.
Een beheerde locatie maken in een lokale map of netwerkmap
-
Voer een van de volgende handelingen uit:
- Klik op Back-upopslag > Locatie toevoegen en klik vervolgens op Opslagknooppunt.
- Wanneer u een beschermingsschema maakt, klikt u op Locatie van back-up > Locatie toevoegen en vervolgens op Opslagknooppunt.
- Klik op Instellingen > Opslagknooppunten, selecteer het opslagknooppunt dat de locatie gaat beheren en klik op Locatie toevoegen.
- Geef bij Naam een unieke naam voor de locatie op. 'Uniek' betekent dat er geen andere locatie mag zijn met dezelfde naam en beheerd door hetzelfde opslagknooppunt.
- [Optioneel] Selecteer het opslagknooppunt dat de locatie gaat beheren. Als u de laatste optie in stap 1 hebt geselecteerd, kunt u het opslagknooppunt niet wijzigen.
-
Selecteer de naam of het IP-adres van het opslagknooppunt dat door de agenten wordt gebruikt voor toegang tot de locatie.
Standaard wordt de naam van het opslagknooppunt gekozen. Mogelijk moet u deze instelling wijzigen als de DNS-server de naam voor het IP-adres niet kan oplossen, waardoor toegang niet mogelijk is. Als u deze instelling later wilt wijzigen, klikt u op Back-upopslag > de locatie > Bewerken en vervolgens wijzigt u de waarde in het veld Adres.
- Voer het pad naar de map in of blader naar de gewenste map.
- Klik op Gereed. De software controleert de toegang tot de opgegeven map.
-
[Optioneel] Schakel back-up deduplicatie op de locatie in.
Met deduplicatie is er minder back-upverkeer en is er minder opslagruimte nodig voor de back-ups op de locatie doordat dubbele schijfblokken worden verwijderd.
Zie 'Beperkingen voor deduplicatie' voor meer informatie over de beperkingen voor deduplicatie.
-
[Alleen als deduplicatie is ingeschakeld] Geef de waarde op voor het veld Pad van deduplicatiedatabase of wijzig de waarde.
Dit moet een map op een lokale harde schijf van het opslagknooppunt zijn. Om de systeemprestaties te verbeteren, raden wij u aan de deduplicatiedatabase en de beheerde locatie op verschillende schijven aan te maken.
Zie 'Advies voor deduplicatie' voor meer informatie over de deduplicatiedatabase.
-
[Optioneel] Selecteer of u de locatie wilt beveiligen met versleuteling. Alle gegevens die naar de locatie worden geschreven, versleuteld en alle gegevens die hier worden gelezen, worden transparant ontsleuteld door het opslagknooppunt door gebruik te maken van een locatiespecifieke versleutelings die is opgeslagen op het knooppunt.
Ga voor meer informatie over versleuteling naar Locatie versleuteling.
-
[Optioneel] Selecteer of u de opgeslagen back-ups op de locatie wilt categoriseren. Met de gegevenscatalogus kunt u op eenvoudige wijze de vereiste versie van gegevens zoeken en deze selecteren voor herstel.
Als meerdere catalogusservices zijn geregistreerd op de beheerserver, selecteert u de service met de catalogus van de back-ups die op de locatie zijn opgeslagen.
U kunt catalogisering later in- of uitschakelen, zoals beschreven in 'Catalogisering in- of uitschakelen'.
- Klik op Gereed om de locatie aan te maken.
Een beheerde locatie maken op een tape-apparaat
- Klik op Back-upopslag > Locatie toevoegen. Wanneer u een beschermingsschema maakt, kunt u ook klikken op Locatie van back-up > Locatie toevoegen.
- Klik op Tapes.
- [Optioneel] Selecteer het opslagknooppunt dat de locatie gaat beheren.
- Volg de stappen die worden beschreven in 'Een groep maken', vanaf stap 4.
Agenten gebruiken standaard de naam van het opslagknooppunt voor toegang tot een beheerde tapelocatie. Als u wilt dat de agenten het IP-adres van het opslagknooppunt gebruiken, klikt u op Back-upopslag > de locatie > Bewerken en vervolgens wijzigt u de waarde in het veld Adres.