Foutafhandeling

Met deze opties kunt u opgeven hoe eventuele fouten worden afgehandeld tijdens een herstelbewerking.

Opnieuw proberen als er een fout optreedt

De vooraf ingestelde waarde is: Ingeschakeld. Aantal pogingen: 30. Interval tussen pogingen: 30 seconden.

Wanneer een herstelbare fout optreedt, wordt automatisch geprobeerd de mislukte bewerking opnieuw uit te voeren. U kunt het tijdsinterval en het aantal pogingen instellen. Er worden geen pogingen meer ondernomen zodra de bewerking lukt OF wanneer het opgegeven aantal pogingen is bereikt, al naar gelang van wat het eerste gebeurt.

Geen berichten en dialoogvensters weergeven tijdens de verwerking (silent mode)

De vooraf ingestelde waarde is: Uitgeschakeld.

Wanneer silent mode is ingeschakeld, worden waar mogelijk automatisch alle situaties verwerkt waarvoor gebruikersinteractie is vereist. Als een bewerking niet kan worden voortgezet zonder gebruikersinteractie, dan mislukt de bewerking. In het bewerkingslogboek worden de details van de bewerking weergegeven, met inbegrip van eventuele fouten.

Fouten negeren

Deze optie is alleen effectief bij herstel op bestandsniveau.

De vooraf ingestelde waarde is: Ingeschakeld.

Wanneer deze optie is ingeschakeld en het herstel van een bestand mislukt, wordt de herstelbewerking voortgezet voor de overige bestanden. Er wordt een waarschuwing weergegeven op het scherm Activiteiten. De optie Opnieuw proberen als een fout optreedt wordt niet geactiveerd omdat er geen fouten worden geregistreerd.

Wanneer deze optie is uitgeschakeld en het herstel van een bestand mislukt, dan mislukt de herstelbewerking. Er wordt een foutbericht weergegeven op het scherm Activiteiten.

Systeeminformatie opslaan als opnieuw opstarten mislukt

Deze optie is effectief voor herstel van een schijf of volume naar een fysieke machine met Windows of Linux.

De vooraf ingestelde waarde is: Uitgeschakeld.

Wanneer deze optie is ingeschakeld, kunt u een map opgeven op de lokale schijf (inclusief flashstations of HDD-stations die zijn verbonden met de doelmachine) of op een netwerkshare waar de logbestanden, systeeminformatiebestanden en crashdump-bestanden worden opgeslagen. Dit bestand kan door medewerkers van technische ondersteuning worden gebruikt om het probleem te identificeren.