Tapebeheer
Deze opties zijn van kracht wanneer de back-upbestemming een tapeapparaat is.
Bestandsherstel inschakelen voor schijfback-ups die worden opgeslagen op tapes
De vooraf ingestelde waarde is: Uitgeschakeld.
Als dit selectievakje is geselecteerd, zal de software bij elke back-up speciale aanvullende bestanden maken op een harde schijf van de machine waaraan het tapeapparaat is gekoppeld. Het herstellen van bestanden van schijfback-ups is mogelijk zolang deze aanvullende bestanden intact zijn.
De locaties van de aanvullende bestanden locaties zijn als volgt:
- In Windows XP en Server 2003: %ALLUSERSPROFILE%\Application Data\Acronis\BackupAndRecovery\TapeLocation.
- In Windows 7 en latere versies van Windows: %PROGRAMDATA%\Acronis\BackupAndRecovery\TapeLocation.
- In Linux: /var/lib/Acronis/BackupAndRecovery/TapeLocation.
De ruimte die wordt gebruikt door deze aanvullende bestanden hangt af van het aantal bestanden in de betreffende back-up. Voor een volledige back-up van een schijf die ongeveer 20.000 bestanden bevat (de gebruikelijke schijfback-up voor een werkstation) nemen de aanvullende bestanden ongeveer 150 MB in. Een volledige back-up van een server die 250.000 bestanden bevat, kan ongeveer 700 MB aan aanvullende bestanden produceren. Dus als u zeker weet dat u geen individuele bestanden hoeft te herstellen, kunt u het selectievakje uitgeschakeld laten om de schijfruimte te besparen.
Een tape terugplaatsen in de sleuf na elke volledig uitgevoerde back-up van elke machine
De vooraf ingestelde waarde is: Ingeschakeld.
Als u deze optie uitschakelt, blijft de tape in het station nadat een bewerking met de tape is voltooid. De software zal anders de tape terugplaatsen naar de sleuf waar deze was vóór de bewerking. Als de back-up volgens het beschermingsschema wordt gevolgd door andere bewerkingen (zoals back-upvalidatie of replicatie naar een andere locatie), wordt de tape teruggeplaatst naar de sleuf wanneer deze bewerkingen zijn voltooid.
Als zowel deze optie en de optie Tapes uitwerpen na elke volledig uitgevoerde back-up van elke machine zijn ingeschakeld, wordt de tape uitgeworpen.
Tapes uitwerpen na elke volledig uitgevoerde back-up van elke machine
De vooraf ingestelde waarde is: Uitgeschakeld.
Als dit selectievakje is geselecteerd, werpt de software tapes uit na elke volledig uitgevoerde back-up van elke machine. Als de back-up volgens het beschermingsschema wordt gevolgd door andere bewerkingen (zoals back-upvalidatie of replicatie naar een andere locatie), worden de tapes uitgeworpen wanneer deze bewerkingen zijn voltooid.
Een tape in het zelfstandige tapestation overschrijven bij een volledige back-up
De vooraf ingestelde waarde is: Uitgeschakeld.
Deze optie is alleen van toepassing op zelfstandige tapestations. Als deze optie is ingeschakeld, wordt elke keer dat er een volledige back-up wordt gemaakt een tape die in een drive is geladen, overschreven.
De volgende tapeapparaten en stations gebruiken
Met deze optie geeft u de tapeapparaten en tapestations op die u wilt gebruiken voor het beschermingsschema.
Een tapegroep bevat tapes van alle tapeapparaten die op een machine zijn aangesloten, ongeacht of het gaat om een opslagknooppunt of een machine waarop een beveiligingsagent is geïnstalleerd, of beide. Wanneer u een tapegroep selecteert als back-uplocatie, selecteert u indirect de machine waarop de tape(s) zijn aangesloten. Standaard kunnen back-ups worden geschreven naar tapes via elk tapestation op elk tapeapparaat dat op die machine is aangesloten. Als sommige apparaten of stations ontbreken of niet werken, worden de beschikbare apparaten of stations gebruikt door het beschermingsschema.
U kunt klikken op Alleen geselecteerde apparaten en stations en vervolgens tapeapparaten en -stations kiezen in de lijst. Als u een volledig apparaat selecteert, selecteert u alle stations. Dit betekent dat elk van deze stations kan worden gebruikt door het beschermingsschema. Als het geselecteerde apparaat of station ontbreekt of niet werkt en er geen andere apparaten zijn geselecteerd, mislukt de back-up.
Met deze optie kunt u back-ups beheren die door meerdere agenten worden uitgevoerd naar een grote tapebibliotheek met meerdere stations. Een back-up van een grote bestandsserver of bestandsshare start bijvoorbeeld mogelijk niet als meerdere agenten een back-up van hun machine maken tijdens hetzelfde back-upvenster, omdat de agenten alle stations gebruiken. Als u de agenten bijvoorbeeld toestaat om stations 2 en 3 te gebruiken, wordt station 1 gereserveerd voor de agent die een back-up van de share maakt.
Multistreaming
De vooraf ingestelde waarde is: Uitgeschakeld.
Met multistreaming kunt u de gegevens van één agent opsplitsen in meerdere streams, en die streams vervolgens tegelijkertijd naar verschillende tapes schrijven. Dit resulteert in snellere back-ups en is vooral nuttig wanneer de agent een hogere doorvoercapaciteit heeft dan het tapestation.
Het selectievakje Multistreaming is alleen beschikbaar wanneer u meer dan één tapestation selecteert onder de optie Alleen geselecteerde apparaten en stations. Het aantal geselecteerde stations is gelijk aan het aantal gelijktijdige streams van een agent. Als een geselecteerd station niet beschikbaar is wanneer een back-up wordt gestart, mislukt deze back-up.
Als u een back-up met meerdere streams of met meerdere streams en multiplexing wilt herstellen, hebt u minstens hetzelfde aantal stations nodig als het aantal dat is gebruikt om deze back-up te maken.
U kunt de instellingen voor multistreaming van een bestaand beschermingsschema niet wijzigen. Maak een nieuw beschermingsschema als u andere instellingen wilt gebruiken of de geselecteerde tapestations wilt wijzigen.
Multistreaming is beschikbaar voor zowel lokaal aangesloten tapestations als voor tapestations die zijn aangesloten op een opslagknooppunt.
Multiplexing
De vooraf ingestelde waarde is: Uitgeschakeld.
Met multiplexing kunt u gegevensstreams van meerdere agenten naar één enkele tape schrijven. Dit resulteert in een beter gebruik van snelle tapestations. De multiplexingfactor, dat wil zeggen het aantal agenten dat gegevens naar een enkele tape stuurt, is standaard ingesteld op twee. Je kunt deze verhogen tot tien.
Multiplexing is nuttig voor grote omgevingen met veel back-ups. De prestaties van een enkele back-up worden hiermee niet verbeterd.
Als u de snelst mogelijke back-up in een grote omgeving wilt, moet u de doorvoercapaciteit van uw agenten, netwerk en tapestations analyseren. Stel vervolgens de multiplexingfactor in op een passende waarde. Als uw agenten bijvoorbeeld gegevens verstrekken met een snelheid van 70 Mbit/s en uw tapestation schrijft met een snelheid van 250 Mbit/s en als er verder geen knelpunten zijn in uw netwerk, stel dan de multiplexingfactor in op drie. Een multiplexingfactor van vier is te hoog, waardoor de back-upprestaties minder zijn. Meestal is de multiplexingfactor ingesteld op een waarde tussen twee en vijf.
Het herstel van back-ups die zijn gemaakt met multiplexing, duurt langer vanwege de structuur ervan. Hoe groter de multiplexingfactor, hoe langzamer het herstel. Gelijktijdig herstel van meerdere back-ups die naar een enkele tape zijn geschreven met multiplexing, wordt niet ondersteund.
U kunt één of meer specifieke tapestations selecteren voor multiplexing, of de multiplexingoptie gebruiken voor elk beschikbaar tapestation. Multiplexing is niet beschikbaar voor lokaal aangesloten stations.
U kunt de instellingen voor multiplexing van een bestaand beschermingsschema niet wijzigen. Maak een nieuw beschermingsschema als u andere instellingen wilt gebruiken.
In een beschermingsschema zijn de volgende combinaties van multistreaming en multiplexing mogelijk:
-
Zowel de optie voor multistreaming als voor multiplexing is uitgeschakeld.
Elke agent stuurt gegevens naar een enkel tapestation.
-
Alleen de optie voor multistreaming is ingeschakeld.
Elke agent stuurt gegevens naar ten minste twee tapestations tegelijk.
-
Alleen de optie voor multiplexing is ingeschakeld.
Elke agent stuurt gegevens naar een enkel tapestation dat streams van meerdere agenten tegelijk kan ontvangen. Het maximale aantal streams dat een tapestation kan ontvangen, is ingesteld in het beschermingsschema en kan niet direct worden gewijzigd.
-
Zowel de optie voor multistreaming als voor multiplexing is ingeschakeld.
Elke agent stuurt gegevens naar ten minste twee tapestations die streams van meerdere agenten tegelijk kunnen ontvangen.
Een tapestation kan slechts één type back-up per keer schrijven, al dan niet met multiplexing, afhankelijk van het beschermingsschema dat het eerst is gestart.
Tapesets gebruiken binnen de tapegroep die is geselecteerd voor back-up
De vooraf ingestelde waarde is: Uitgeschakeld.
Tapes in één groep kunnen worden gegroepeerd in zogenaamde tapesets.
Als u deze optie uitgeschakeld laat, wordt er een back-up gemaakt van data op alle tapes die tot een groep behoren. Als de optie is ingeschakeld, kunt u aparte back-ups maken volgens de vooraf gedefinieerde of aangepaste regels.
-
Een aparte tape gebruiken voor elk(e) (kies een regel): back-uptype, apparaattype, apparaatnaam, dag in de maand, dag van de week, maand van het jaar, jaar, datum)
Als deze variant is geselecteerd, kunt u uw tapesets organiseren volgens een vooraf gedefinieerde regel. U kunt bijvoorbeeld aparte tapesets hebben voor elke dag van de week of back-ups van elke machine opslaan op een aparte tapeset.
-
Een aangepaste regel voor tapesets opgeven
Als deze variant is geselecteerd, geeft u uw eigen regel aan om tapesets te organiseren. De regel kan de volgende variabelen bevatten:
| Syntax van variabele | Beschrijving van variabele | Beschikbare waarden |
|---|---|---|
|
|
Back-ups van elke machine worden opgeslagen op een aparte tapeset. | Namen van de machines die zijn geregistreerd op de beheerserver. |
|
|
Volledige, incrementele en differentiële back-ups worden opgeslagen op aparte tapesets. |
|
|
|
Back-ups van machines van elk type worden opgeslagen op een aparte tapeset. |
|
|
|
Back-ups die zijn gemaakt op elke dag van de maand worden opgeslagen op een aparte tapeset. |
|
|
|
Back-ups die zijn gemaakt op elke dag van de week worden opgeslagen op een aparte tapeset. |
|
|
|
Back-ups die zijn gemaakt gedurende elke dag van het jaar worden opgeslagen op een aparte tapeset. |
|
|
|
Back-ups die zijn gemaakt gedurende elk jaar worden opgeslagen op een aparte tapeset. |
|
- Voorbeeld: als u de regel opgeeft als
[Resource Name]-[Backup Type], hebt u een aparte tapeset voor elke volledige, incrementele en differentiële back-up van elke machine waarop het beschermingsschema wordt toegepast.
U kunt ook tapesets opgeven voor individuele tapes. In dit geval worden back-ups eerst geschreven op tapes waarvan de waarde van de tapeset overeenkomt met de waarde van de expressie die is opgegeven in het beschermingsschema. Vervolgens worden, indien nodig, andere tapes uit dezelfde groep genomen. Daarna worden, als de groep aanvulbaar is, tapes uit de groep Beschikbare tapes gehaald.
Als u bijvoorbeeld tapeset Monday opgeeft voor tape 1, Tuesday voor tape 2, enzovoort en [Weekday] opgeeft in de back-upopties, dan wordt de overeenkomstige tape gebruikt op de betreffende dag van de week.